Selecteer een pagina

Bij goed beheer en gebruik kun je genieten van de opbrengst van je grond. Om die te kennen kun je kijken en meten. En gebruik maken van info van anderen. De bodemkaart van Nederland geeft informatie over grondsoorten buiten dorp en stad. In een vorig blog heb ik uitgelegd hoe je de grondsoort van je perceel opzoekt, en ook de ‘Toelichting’ en de ‘Algemene begrippen’ boekjes, die informatie over je grond geven. Nu ga ik daar dieper op in. Bij elk kaartblad van de bodemkaart 1:50.000 is een Toelichting-boekje beschikbaar, met info over ontstaan en eigenschappen van de grond, en de geschiktheid voor landbouw. De informatie is tussen 1960 en 1990 gepubliceerd – aan een update wordt gewerkt. Wat sindsdien vooral veranderd kan zijn, is de dikte van een veen-bovengrond, de grondwaterstand en de voedingstoestand. Maar op de meeste locaties klopt alles nog gewoon.

De Toelichting…

Hier vind je tekst over ontstaan van de grond in kaartgebied, en een beschrijving welke gronden waar liggen. Daarna worden de bodemsoorten behandeld, in een hoofdstuk voor elke categorie: veengronden, moerige gronden, dikke eerdgronden, zandgronden, rivierkleigronden, zeekleigronden… En dan zijn er ook nog ‘gecombineerde’ kaarteenheden met meerdere grondsoorten. Daarna een paar hoofdstukken over bodemeigenschappen, die de geschiktheid van de grond voor verschillend gebruik bepalen; en in de bijlagen tabellen met de gegevens hierover per grondsoort.

Hier vertel ik waarvoor die eigenschappen belangrijk zijn, en hoe je de info van de Toelichting kunt gebruiken.

Grondwaterstand

Te natte grond heeft weinig draagkracht, is slecht bewerkbaar en plantenwortels rotten er gemakkelijk weg. Ook blijft de grond  lang koud in het voorjaar. Te droge grond kan lastig bewerkbaar zijn en er kan tekort water zijn voor een goede groei. Op de bodemkaart worden gronden gekarakteriseerd met een grondwatertrap, afgekort Gt. Gt I is heel erg nat; Gt VII superdroog. De grondwatertrappen wordt bepaald door de ‘Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand’ (GHG), in de winter, en de ‘Gemiddelde Laagste Grondwaterstand’ (GLG), in de zomer. Aan elk eenheid op de bodemkaart is een grondwatertrap gekoppeld.

Ontwateringstoestand

Die wordt afgeleid van de grondwatertrap, en vooral dan de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand. Het gaat hier om kans op wateroverlast. Als de grond vol zit met water, krijgen plantenwortels geen lucht, waardoor ze bij veel soorten uiteindelijk afsterven. Ook is een natte grond slap; niet bewerkbaar. En er over lopen of rijden is ook af te raden, om de structuur niet bederven.

Vochtleverend vermogen

Hoeveel vocht er voor je planten in de grond zit als het niet regent, wordt bepaald door:

  • de dikte van de bewortelbare laag
  • het beschikbare vocht daar in
  • de opstijging van vocht uit diepere lagen, als de wortelzone uitdroogt.

Een groot vochtleverend vermogen is gunstig voor goede plantengroei.

Stevigheid van de bovengrond

Hier gaat het om de ‘draagkracht’, de weerstand die de grond kan bieden bij berijding en betreding door vee of mens. Alleen de grond stevig genoeg is, kun je die bewerken. Zandgrond is in het algemeen steviger dan veen en klei (tenzij die droog is).

Verkruimelbaarheid

Voor grondbewerking en zaaien is het fijn als de grond gemakkelijk verkruimelt, zodat je kleine kluitjes krijgt. Hoe goed dat gaat, hangt vooral af van gehalte aan klei, leem, kalk, en organische stof. Gronden met zand en veen zijn altijd goed verkruimelbaar. Klei en zavel: hoe zwaarder de grond, hoe lastiger te verkruimelen en hoe vaker de grond daarvoor te nat of te droog is. Je kunt hier wel wat in sturen door goed beheer, maar de samenstelling van de grond bepaalt de basis.

Structuurstabiliteit

Een goede bodemstructuur zorgt er voor dat lucht en vocht gemakkelijk door de grond kunnen bewegen. Als de grond kaal is, en het regent hard, kan grond gaan vervloeien: kluitjes vallen uit elkaar en vormen samen een korst. Dat heet ‘slemp’. In een ernstig geval kan de hele bovengrond in elkaar zakken. Gehalten aan klei, kalk en organische stof bepalen de weerstand van grond tegen verslemping. Alleen van belang voor klei- en zavelgrond. Bij zand en venige grond kan een ander probleem optreden: verstuiving. Weerstand hiertegen valt ook onder structuurstabiliteit.

Overigens: de grond bedekt houden door mulch en planten is een uitstekende maatregel tegen verslemping en verstuiving.

Voedingstoestand

De voedingstoestand van de grond; aanwezigheid van voedingsstoffen voor je planten, is voor elk gewas van belang. Daarom ga je bemesten. In bosbouw en voedselbossen gebeurt dat meestal niet, en daar is de natuurlijke voedingstoestand dan ook meer van belang.

Zuurgraad

De zuurgraad van de grond bepaalt mede de beschikbaarheid van voedingsstoffen, en, op klei en zavelgrond, de structuur en structuurstabiliteit. Bij bemestingsadviezen zit voor zuurdere gronden een bekalkingsadvies om de grond minder zuur te maken, maar er zijn ook planten die juist op kalkloze grond beter groeien.

Relief

Voor landbouw kunnen hellingen van belang zijn; vooral voor kans op erosie. In grote delen van Nederland is het relief niet van belang, omdat het er nauwelijks is. In Limburg kan het wel heel belangrijk zijn.

Bodemgeschiktheid

Deze eigenschappen zijn gebruikt om te kijken of de bodem geschikt is voor verschillende teelten: bv. akkerbouw, grasland, bosbouw. Ook worden teeltrisico’s gegeven. Voor een moestuin of eetbare tuin moet je misschien een vertaalslag maken – als je geen machines gebruikt en vaste paden hebt, heb je bv. minder probleem met gebrek aan stevigheid. De bosbouw-indeling draait om een beperkt aantal bomen die voor hout gekweekt worden.

Tot slot

Uiteraard ga je ook ter plekke naar je grond kijken; Kijk hoe diep het grondwater zit in voorjaar en aan het eind van de zomer, graaf een kuil, bekijk structuur en stabiliteit – maar met de bodemkaart krijg je een mooie eerste indruk.

Succes met je grond!

 

Tips en artikelen ontvangen?

Tips en artikelen ontvangen?

Ontvang blog en aankondigingen in je mailbox

Bedankt voor je aanmelding!